56. Nachtflupke

juni 4, 2007

Tevreden verliet Suske de dierenwinkel van meneer Vandersteen, een Nachtflupke veilig in haar Roodkapjesmandje. Roodkapjesmandje? Jawel. Wiske, haar vriend, zei altijd dat ze met haar rode haar alleen nog maar een mandje nodig had om op Roodkapje te lijken. Nu had ze zo’n mandje en inderdaad, het Roodkapjesgevoel was er helemaal. Ze keek zelfs onopvallend (hoopte ze) rond of ze de grote boze wolf niet ergens zag.

Of misschien was het Nachtflupke haar wolf, wachtend tot hij groot en sterk genoeg zou zijn om haar te kunnen verorberen. Nachtflupke? Jawel. Suske had altijd graag een huisdier willen hebben, maar geen hond of poes. Ze wilde iets bijzonders, en dat betekende bijna automatisch een Nachtflupke. Eén van de zeldzaamste dieren op aarde, die desondanks goed aarden als huisdier. Ze leven vooral ’s nachts.

En daar had Suske zich op verkeken. Want wat gezelligheid betrof had je niks aan het dier. Het sliep als jij wakker was, en was wakker als jij sliep. ’s Nachts ging de flup op verkenning door het huis. Trok de bekleding van bank en stoelen kapot, sloopte boeken en agenda’s en plaste in bloempotten. Moest Suske haar huisdier terugbrengen naar de dierenwinkel, of moest ze overdag gaan slapen en ’s nachts gaan waken?


55. Een imp in Leiden

juni 3, 2007

Een monster uit het gewelddadige computerspel Doom was uit zijn digitale territorium gebroken en liep los rond in de wereld van mensen, dieren en planten! Het was een imp: meer dan twee meter groot, verschrikkelijk sterk en helemaal gericht op het doden en verorberen van mensen. Maar de imp die door de Leidse Haarlemmerstraat liep was helemaal niet gevaarlijk. Integendeel zelfs, hij was best wel grappig.

Om te beginnen bestond hij uit hele grote pixels, en omdat hij maar vier animatieframes had liep hij ook nogal spastisch. Bovendien, als je hem van opzij zag, was hij helemaal plat! Eén pixel dik! Akelige kreten slaken – vaste prik onder zijn normale werkomstandigheden – was er evenmin bij. In plaats daarvan zei hij telkens: “Tsjonge, nooit geweten dat er in één straat zoveel winkels konden zijn.” Voor iedere etalage bleef hij staan en keek zijn ogen uit.

Al gauw werd hij omringd door kinderen, vooral jongetjes. De zonen wellicht van de Doom-vaders die anno 1993 de huiselijke gezelligheid ingeruild hadden voor vuurgevechten, angst en de zoektocht naar een lift. “Meneer de imp, mag ik een handtekening?” klonk het weldra. “Natuurlijk jongen,” was het antwoord. Alleen, de imp had van Carmack en Romero geen pen meegeprogrammeerd gekregen, en dus moest hij even later beteuterd toegeven dat een handtekening er niet inzat. Maar een leuk verzetje was het wel, zo’n imp in Leiden!


54. Vliegende schotels

juni 2, 2007

Pramdash Akir was de zoon van een pottenbakker. Hij woonde en werkte in Dharavi, de sloppenwijk van de Indiase metropolis Mumbai. De huisjes waren er van golfplaat en jute, de straten slechts een meter breed. De toch al niet geweldige water- en stroomvoorziening werd beheerst door criminelen. Toch werd er volop gewerkt en waren de meeste bewoners gelukkig.

De aan de rivier gelegen pottenbakkerij van Pramdash’ vader braakte dikke wolken zwarte rook uit, maar het aardewerk dat er gemaakt werd was schitterend. Hoewel Pramdash nog maar tien jaar was, was hij al een ervaren pottenbakker. Hij had zelfs al een specialiteit: vliegende schotels. Niet de schotelvormige ruimtevaartuigen waarin buitenaardse wezens de aarde bezoeken, maar vliegende aardewerken schotels.

Iedere morgen mediteerde Pramdash met zijn ouders, zijn broers en zusters en alle werknemers van het bedrijf. Dat deden ze al zo lang dat hun geesten vanzelf in fase raakten, waarna iedereen begon te zweven. Omdat de gammele huisjes daar slecht tegen konden, kanaliseerden de pottenbakkers hun zweefpotentie in Pramdash, en Pramdash in zijn aardewerken schotels. Sindsdien kwamen die na het bakken en glazuren uit de oven vliegen, en je kon ze bovendien leren dat ze bij iemand in de buurt moesten blijven. Geen wonder dat de pottenbakkerij zou uitgroeien tot de bekendste ter wereld!


53. Door een wormgat naar Pegasus

juni 1, 2007

Toen professor Palarczyk het wormgat naar het Pegasus-stelsel opende had hij geen idee wat hij aan de andere kant zou aantreffen. Een menigte druk door elkaar kwetterende kleuters in ieder geval niet.

Zo’n reis door een wormgat is geen pretje. Met behulp van een onvoorstelbare hoeveelheid energie wordt er een even onvoorstelbare afstand overbrugd. Aan de vertrekzijde wordt je lichaam atoom voor atoom afgebroken, aan de aankomstzijde zonder tijdverlies weer opgebouwd. Herinneringen en ervaringen blijven intact, maar er is sprake van hevige pijn en desoriëntatie. Dus als je daarna plotseling tegenover duizenden buitenaardse kleuters staat, opgesteld in een halve cirkel rondom het aankomstpunt, dan ben je ‘t even helemaal kwijt.

Die kleuters schreeuwden zinnen uit de Nederlandse literatuur. De kinderversjes van Annie M.G. Schmidt, de openingszin van De diamant van Harry Mulisch, het gemompel van Frits van Egters uit De Avonden, de mystieke strofen van Hadewych, de streken van Pietje Bell en de getormenteerde volzinnen van Couperus. Professor Palarczyk stapte terug door het wormgat. Zomaar ineens had hij genoeg van buitenaardse beschavingen. En het komende jaar ging hij alleen nog maar damesromans lezen.


52. Noodoproep

mei 31, 2007

Patarabawa is ooit gemaakt in een Japanse speelgoedfabriek. Sindsdien is hij verschillende malen doorverkocht en hebben zijn eigenaren allerlei modificaties uitgevoerd. Hierdoor heeft de robotviervoeter een hoge mate van zelfstandigheid en bewustzijn ontwikkeld. Zijn naam kreeg hij van zijn huidige eigenaar, de man met het langgerekte hoofd. In de taal van de M’belebele uit Centraal Afrika betekent Patarabawa ‘huisdier van zilver’.

Dit zilveren huisdier had zojuist een noodoproep van het Ruiskonijn gekregen, die met een nachtelijke verkenningstocht door een aantal achtertuinen bezig was. Achter een huis van een oma en haar kleinzoon had hij een eigenaardig voorwerp gevonden. Eerst dacht hij dat het speelgoed was, maar toen hij de zwakke telepatische boodschap “Ik ben Zorvod, help mij!” ontving, wist hij dat het om iets ging dat leefde – nog net.

Patarabawa teleporteerde naar het Ruiskonijn en verzamelde de onderdelen van Zorvod met behulp van stangetjes en grijpertjes die uit zijn buik tevoorschijn schoven. Daarna teleporteerde hij zichzelf, Zorvod en het Ruiskonijn weer naar huis. Zouden hij en het Ruiskonijn Zorvod nog kunnen reanimeren?


51. Elektronenmannetjes

mei 30, 2007

Het Elektronenmannetje voelde zich eenzaam. En geen wonder, want op dit moment zijn er op aarde nog maar weinig Elektronenmannetjes over. Die bovendien alleen nog maar kunnen bestaan omdat ze zich kunnen voeden aan de magnetische velden van elektrische tandenborstels. Daarvan zijn er tegenwoordig immers miljoenen in gebruik!

Vroeger – toen er nog geen mensen waren, ook geen zoogdieren, en zelfs geen vissen, maar alleen dobberende eencelligen in woeste wateren – was dat wel anders. Toen leefde er miljarden Elektronenmannetjes op, boven en in de aarde, en zij voedden zich met de blikseminslagen die zich onophoudelijk in de kolkende atmosfeer ontlaadden. Zij waren de heersers van onze planeet!

Elektronenmannetjes zijn te ijl om een stoffelijk lichaam te hebben. Toch is er klaarblijkelijk een factor die de elektronen bindt tot iets dat leeft en bewustzijn heeft. Want ook Elektronenmannetjes spreken over ‘ik’ en ‘jij’ en ervaren zich als gescheiden van de rest van het universum. En dat terwijl ze dus slechts uit een wolk elektronen bestaan, elementaire deeltjes die tegelijkertijd een golfverschijnsel zijn! Knap hè?


50. Ome Arie laat zich klonen

mei 29, 2007

Ome Arie zat met twee kersverse klonen van zichzelf aan de oever van het Erdös-Rényi Meer. Er heerste stilte tussen de drie mannen. “Het is verbazend hoe weinig je elkaar te vertellen hebt als je elkaar zo goed kent als wij,” zei Ome Arie. “Ik hoef maar aan een anekdote te beginnen en jullie weten al hoe hij afloopt,” beaamde Ome Arie. “Dat komt omdat we op dit moment nog dezelfde herinneringen hebben,” opperde Ome Arie. “Pas als we onze eigen weg gaan, krijgen we ons eigen leven.”

Het bestaan van de Ome Aries roept belangrijke ethische en filosofische problemen op. Als je elkaars lichaam, ervaringen en herinneringen deelt, ben je dan identiek? Gaat een gekloond lichaam net zo lang mee als een normaal lichaam? Als er steeds meer klonen komen, zullen zij dan als gelijken of als paria’s behandeld worden? Als een kloon overlijdt, heeft dat dan effect op het origineel?

“Er is maar één vrachtwagen,” zei Ome Arie, “en dat is Lekker Ding. Mijn Lekker Ding.” “Ik wil Lekker Ding niet,” zei Ome Arie, “ik ga me hier in Novosibirsk vestigen, champagne exporteren en een vrouw zoeken.” “Ik heb gehoord van een leegstaande speelgoedwerkplaats in Siberië,” zei Ome Arie, “die wil ik weer aan de praat krijgen, want ik zie brood in houten Gorbachovs, Jeltsins en Putins.” De toekomst was vol belofte.

+++

Iedere dag een Miniatuurtje in uw inbox? Stuur een verzoekje naar robsmit@viceversa.nl


49. De drie Johns

mei 28, 2007

John Romero, John Lennon en Johnny the Selfkicker zaten in Karaoke bij Joke aan een tafeltje bij het raam. Romero had het langste haar, gevolgd door Lennon; The Selfkicker had niet echt lang haar. Hoewel ze met zijn drieën hadden afgesproken, was Yoko Ono met Lennon meegekomen. “We moeten een front vormen tegen John Carmack,” zei Romero, “hij zondert zich in zijn kantoor af om aan zijn engine te werken en hij smoest alleen nog maar met American McGee.”

“Nee,” zei Ono, “we moeten een front vormen tegen de Beatles. Muziek moet maatschappelijk geëngageerd zijn.” “We moeten helemáál geen front vormen,” confronteerde The Selfkicker, “want een front vormen, dat hoort bij oorlog voeren. Terwijl er hier twee zitten die in een bed in Amsterdam Make love, not war gepropageerd hebben. Wat me eraan doet denken … Yoko, zullen wij samen …”

Ono smeet hem een handvol Pokémonpoppetjes naar zijn hoofd. “Rot op zeg!” bitste ze, “denk je dat ik met een vent met een gaatje in zijn voorhoofd ga liggen wippen! Ik ben avant-garde kunstenares ja!” “Maar ik ben een Ziener,” zei The Selfkicker, “als mijn Derde Oog straks volgroeid is heb ik zo’n macht over mensen dat àlle vrouwen met mij naar bed willen. Zelfs jij.” “Als we Carmack nou Sgt. Pepper eens laten afmixen,” zei Romero, “dan kan ik de leiding over Quake nemen.” “Dat vindt George Martin nooit goed,” antwoordde Lennon. Een sombere stilte daalde over het tafeltje.

+++

Iedere dag een Miniatuurtje in uw inbox? Stuur een verzoekje naar robsmit@viceversa.nl


48. Voetbalveld

mei 27, 2007

Vandaag gingen Kareltje en Oma op bezoek bij Oma’s zuster, Tante Lenie. Die woonde in een wijk waar een voetbalveld lag dat nooit gebruikt werd. “Drugs,” zei de één. “Kinderlokkers,” zei de ander. “Aardstralen,” zei een derde. Kareltje, Oma en Tante Lenie hadden daar lak aan en togen linia recta naar het voetbalveld. Oma en Tante Lenie gingen op een bankje langs de kant zitten, Kareltje rende het veld op. En voelde een dwingende, onaardse energie!

Als in trance liep Kareltje naar één van de twee doelen en trapte tegen een doelpaal. Onder zijn voeten begon het te dreunen, het voetbalveld begon te dalen. Na tien meter hield het stil; het bevond zich midden in een kolossale grot. Vanaf de zijkant kwam een rails aanschuiven, waaroverheen door robotvoertuigen een groot, schotelvormig ruimteschip naar het midden van het veld werd gesleept. Een deur opende zich, een trap werd neergelaten.

Kareltje beklom de trap richting fel verlicht interieur, en zwaaide naar de silhouetten van Oma en Tante Lenie. “Goeie reis!” hoorde hij Oma roepen, “maar wel op tijd terug voor het eten!” De trap werd ingehaald, de deur sloot zich en daar ging Kareltje richting sterren. “Joepie!” schreeuwde hij, genietend van de onaardse, metalige galm die zijn kreet veroorzaakte.

+++

Iedere dag een Miniatuurtje in uw inbox? Stuur een verzoekje naar robsmit@viceversa.nl


47. Naar de schouwburg

mei 26, 2007

Het was vrijdagavond. Juffrouw Mirjam was klaar met haar nakijkwerk en ging met haar zuster naar de schouwburg. Toen ze daar aankwamen bleek het gebouw getransformeerd te zijn. Het was veel groter dan voorheen, en de garderobe was vervangen door een rij van meer dan duizend genummerde wandkapstokken! De gezusters hingen hun jassen aan de wand, en memoriseerden de kapstoknummers.

De zaal was gigantisch, evenals het toneel. In plaats van een paar honderd, stonden er nu een paar duizend stoelen in de zaal. Je plaats opzoeken betekende plotseling een hele wandeling! Op het toneel stond een naakte vrouw met blond haar tot op haar heupen, die juist haar voorstelling beëindigde. Langzaam maar zeker stroomde de zaal vol, en de zaalverlichting doofde.

Na opening van het gordijn stonden er op het toneel, opgesteld in een rechthoek, meer dan honderd mannen met ontbloot bovenlijf. Tussen zich in droegen ze een reusachtige kooi, waar een zwart doek overheen hing. Ze voerden een soort ritueel uit, waarna het doek werd verwijderd. In de kooi stond de naakte vrouw met het lange blonde haar, en dat was het einde van de voorstelling. In de hal hing geen enkele jas nog op zijn oorspronkelijke haak. Hoe kwamen duizenden jassen zo door elkaar?

+++

Iedere dag een Miniatuurtje in uw inbox? Stuur een verzoekje naar robsmit@viceversa.nl